Holland – Willem Blaeu, 1631
HET GRAAFSCHAP HOLLAND
“Hollandia Comitatus”, kopergravure vervaardigd door Josua van den Ende en uitgegeven door Willem Blaeu in 1631. In de tijd met de hand gekleurd. Afm. 39 x 47,5 cm.
Willem Blaeu liet deze kaart vervaardigen in 1608 met randversieringen (van Claes Jansz. Visscher), maar om ‘m in zijn atlas “Appendix” te kunnen opnemen, werden later de randen aan de boven-, rechter en linkerzijde verwijderd.
Het kaartbeeld berust nog op het ontwerp van Jacob van Deventer uit 1542 omdat er geen nieuwe opmeting van geheel Holland had plaatsgevonden, al waren er in het verloop van de tijd al veel aanvullingen bijgekomen. Zo zijn er nog steeds geen wegen aangegeven, maar in de wateren staan wel veel bruggen en dammen.
De bronnen waaruit Blaeu heeft geput voor de samenstelling van deze kaart zijn voor een groot deel te achterhalen. Voor het gedeelte van Holland boven de Oude Rijn werd gebruik gemaakt van de kaart van Joost Jansz. Beeldsnijder uit 1575.
De provincie Utrecht en het oostelijke deel van Holland ten zuiden van de Oude Rijn tot aan Gouda bevat gegevens ontleend aan de kaart van de provincie Utrecht op twee bladen door ene Cornelis Anthonisz. Hornhovius uit 1599. Die kaart werd ook door Pieter van den Keere gekopieerd voor zijn atlas “Germania Inferior”.
Leuke weetjes over het Holland van 1631 staan beschreven op de achterzijde van de kaart.
Zo zijn de paarden van West-Friesland gespierd, krachtig en vol moed; hun enige gebrek is dat ze wat ruw zijn en hun ruiter soms wat afstoten; maar ook in het zuiden vindt men zeer goede paarden. De watervogels, vooral eenden, worden er met duizenden gevangen. Er zijn speciale plaatsen voor deze jacht ingericht, of men gebruikt tamme dieren die de wilde exemplaren aantrekken. Met een bosje stro aan de staart gebonden rennen deze dieren heen en weer en lokken zo de vogels in de strikken. Zodra de vogels diep genoeg in de hinderlaag zitten, komt de vogelaar van achteren, laat geluid horen, en doordat de eenden opvliegen, vallen zij in de ton, die zich geleidelijk sluit, zodat zij gevangen blijven.
De rivieren, meren, plassen en moerassen leveren overvloedig zoetwatervis. Maar men kan nauwelijks geloven hoeveel zeevis er wordt gevangen in de nabijgelegen oceaan. Vandaar ook dat het titel cartouche rechts boven geflankeerd door twee zeegoden (links is Neptunus) die een lijn met vissen vasthouden (als teken van de rijkdom van de zee).
De aarde brandt als hout, want nadat men haar uit bepaalde turfachtige blokken heeft gestoken of zelfs uit het water heeft geput, laat men haar drogen in zon of wind en vervolgens gebruikt men haar als brandstof, ter vervanging van het hout dat hier schaars is.
Het Graafschap Holland bestaat, volgens de meest nauwkeurige indeling uit de archieven van de Rekenkamer, uit vier delen. Het eerste heet Noord-Holland; het tweede Zuid-Holland; het derde Voorne, dat vroeger zijn eigen heren had; het vierde Kennemerland, of West-Friesland, hoewel het gewone volk dit abusievelijk Noord-Holland noemt, omdat het ten noorden van Holland ligt.
Onder het eerste deel vallen de rechtsgebieden die over het water gaan (de waterschappen) of de dijkrechtelijke gebieden van Rijnland, Delfland, Schieland en Woerden. De steden zijn: Delft, Leiden, Gouda, Rotterdam, Schiedam, Oudewater, Woerden en Vlaardingen (volgens sommigen de oudste stad van Holland) en Den Haag.
Het tweede deel omvat Dordrecht (de oudste stad, met eerste zetel en stem in de Staten van Holland), Gorinchem, Woudrichem, Schoonhoven, Heusden en Geervliet, hoofdstad van Putten, tegenwoordig vervallen en verwaarloosd.
Voorne, het derde deel, heeft Brielle als hoofdstad en geen andere stad dan Goedereede, maar het bezit vele mooie dorpen en heeft het voordeel dat haar landbouwgronden vruchtbaarder zijn dan die van de overige delen van Holland.
Het vierde deel is Kennemerland en West-Friesland, het grootste deel; het omvat Kennemerland, Amstelland, Gooiland, Waterland, de eilanden Texel, Wieringen, Vlieland en Griend, en de steden: Haarlem (hoofdstad van Kennemerland, met de tweede stem in de Staten van Holland), Amsterdam (machtige hoofdstad van Amstelland), Alkmaar, hoofdstad van West-Friesland, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnickendam, Purmerend, en Naarden, Muiden en Weesp in Gooiland.
Het is moeilijk te zeggen hoe de Republiek eruitzag in de tijd dat zij door de graven werd bestuurd, omdat schrijvers dit niet hebben vastgelegd. Wel is duidelijk dat de graven van Holland vanaf de tijd van graaf Dirk een aanzienlijk territorium bestuurden, maar niet als leenmannen van omringende vorsten of van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Zij erkenden geen keizerlijk gezag, en de keizer oefende geen rechtsmacht over Holland uit.
Het graaflijk gezag was in hoge mate begrensd door wetten en gebruiken die de Staten bewaakten. De Staten bepaalden onder meer dat geen vrouw van aanzien mocht trouwen, en geen openbaar ambt kon worden vervuld, zonder hun goedkeuring. Nieuwe belastingen, vrijstellingen en buitengewone heffingen vereisten eveneens hun instemming. De graaf mocht geen oorlog beginnen zonder hun toestemming, geen munt wijzigen zonder hun oordeel, geen domeingoederen vervreemden en de Staten niet buiten de provincie bijeenroepen. Rechtspraak moest via de gewone rechtbanken verlopen, en tegen wetten die de graaf in strijd met oude rechten zou uitvaardigen, hoefde niemand gehoorzaam te zijn. Elke graaf zwoer deze bepalingen te eerbiedigen alvorens door de Staten als landsheer te worden erkend.
Hoewel Bourgondische en Habsburgse vorsten later trachtten dit staatsrechtelijke evenwicht te doorbreken, bleven de Staten een doorslaggevende macht. Toen Filips II deze orde fundamenteel schond (met de Opstand tot gevolg) , verklaarden de Staten hem in 1581 vervallen van zijn rechten en namen zij het bestuur in eigen hand, met Willem van Oranje en daarna Maurits en Frederik Hendrik als stadhouders. Sindsdien regeerden de Staten Holland rechtstreeks, hetzij in voltallige vergadering, hetzij via gedeputeerden in Den Haag.
Deze Statenvergadering bestond uit twaalf edelen uit de voornaamste geslachten en uit afgevaardigden van achttien steden, waaronder Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen. Een kleinere vergadering van gedeputeerden fungeerde als permanent bestuur wanneer de volledige Staten niet bijeen waren.
Literatuur:
- Blonk & Van der Wijlst (2000) “Hollandia Comitatus, een kartobibliografie van Holland”, kaart nr. 33,2.
- Günther Schilder & Klaus Stopp (2000) “Monumenta Cartographica Neerlandica VI, Nederlandse foliokaarten met decoratieve randen, 1604-60.”, kaart nr. 70.2.
Prijs: VERKOCHT






