West-Friesland – Hendrik de Leth, ca. 1730

2.350

Nieuwe Caarte van het Dykgraafschap van West-Friesland genaamt Geestmer-Ambagt, Schager en Niedorper Cogge”. Vervaardigd door kaarttekenaar Pieter Straat en “in ’t Koper gebragt door Hendrik de Leth” te Amsterdam circa 1730. In de tijd fraai met de hand gekleurd. Vier gemonteerde bladen tezamen 91 x 109 cm.

In de Middeleeuwen was West-Friesland verdeeld in vier ambachten. Deze ambachten waren bovenlokale bestuurseenheden, die vermoedelijk al bestonden voor West-Friesland werd onderworpen door de graven van Holland. De ambachten bestonden op hun beurt uit enkele koggen, die weer in bannen (dorpen of polders zonder specifiek dorp) waren onderverdeeld.

Op deze waterstaatkundige kaart zien we de drie historische waterschappen: Geestmerambacht, Schagerkogge en Niedorperkogge, die gezamenlijk het westelijke deel van het oude West-Friesland vormden. (In het Oosten van West-Friesland bevonden zich de ambachten de vier Noorder Koggen en Drechterland.)

De cartouches op de kaart tonen de wapens van verschillende dorpen, gelegen in het ambacht. Links Geestmerambagt, in het midden de wapens van Schagerkogge (Schagen, Barsingerhorn en Obdam) en rechts het wapen van het dijkcollegie van de Niedorperkogge, waarin de wapens van Nieuwe Niedorp (boven), Winkel (linksonder) en Oude Niedorp (rechtsonder) zijn samengebracht.

Een eeuw voorafgaand aan het vervaardigen van deze kaart speelde een slepende rechtszaak tussen oostelijk en westelijk West-Friesland. Er was ruzie over de verdeling van de kosten van het onderhoud van de Westfriese Omringdijk. Die dijk beschermde heel West-Friesland tegen het dreigende water van de zee. De verdeelsleutel van het onderhoud dateerde echter al uit de veertiende eeuw en was verouderd. Door het droogmalen van de Heerhugowaard, het Schermer meer, de Zijpe en de Wieringerwaard lag in de zeventiende eeuw de dijk in het westen van West-Friesland vrijwel niet meer aan zee. De kosten voor het onderhoud daalden daardoor aanzienlijk, maar oostelijk West-Friesland had dit voordeel niet. Hier was de Zuiderzee nog altijd een dagelijkse bedreiging. Men eiste een andere verdeling van het onderhoud: als immers de dijk in het oosten brak zou het westen ook onder water komen te staan. Oostelijk West-Friesland spande in 1637 een proces aan voor de Hoge Raad in Den Haag. Dit duurde maar liefst tot 1695 en staat bekend als het ‘Groot Proces’.

Dit is ook goed te zien op de kaart, waar de Westfriese Omringdijk is omgeven met droogmakerijen en de zeewerende is afgenomen. Verder laat de kaart laat een fijnmazig netwerk van polders, sloten, vaarten en dijken zien, met perceelsaanduidingen, kavels, toponiemen en waterwegen. In diverse percelen zijn letters en cijfers aangebracht, mogelijk als referentie naar eigendom of gebruiksfunctie. Het polderlandschap toont een zorgvuldige verdeling van landbouwgrond, dijktracés en bebouwing, een weergave die essentieel was voor het beheer van het kwetsbare veen- en kleigebied.

Rechtsonder is een idyllisch landschapsbeeld toegevoegd, waarin de kaasbereiding centraal staat. We zien een zittende man, rustend op een stapel kazen en uitkijkend op een typisch polderlandschap. In de 18e eeuw ontwikkelden de veenpolders in West-Friesland zich tot belangrijke gebieden voor melkveehouderij, waar koeien op de drassige weidegronden werden gehouden. De geproduceerde melk werd verwerkt tot Goudse (zoals Beemster) en Edammer kaas, die via lokale markten, zoals in Schagen, Hoorn en vooral Alkmaar werd verhandeld en geëxporteerd. Alkmaar groeide in de 18e eeuw uit tot een toonaangevend kaasknooppunt, mede dankzij de wekelijkse kaasmarkt, waar kaas uit heel de regio werd aangevoerd. De kleine boerenbedrijven konden gebruik maken van de waterwegen in het poldergebied om hun producten snel en efficiënt naar de markt te vervoeren. Daarmee vormden de veenweiden en het waterrijke landschap een belangrijk element van de regionale kaashandel en economie.

Prijs: Euro 2.350,-