Zeilwagen van Simon Stevin voor prins Maurits – Joan Blaeu, 1649
€1.750
“Currus veliferi Illmi. Pr. Mauritii Nassovii.” [Zeilwagen van de zeer illustere prins Maurits van Nassau], ets en kopergravure uitgegeven door Joan Blaeu te Amsterdam in 1649 als deel van diens Novum ac Magnum Theatrum Urbium Belgicae Liberae ac Foederatae, de eerste, Latijnse editie van zijn beroemde stedenboek. In de tijd met de hand gekleurd. Afm. (prent) ca. 45 × 57 cm.
Op een dag in het voorjaar van 1602 maakte prins Maurits in gezelschap van 27 gasten een spectaculaire tocht met zijn zeilwagen, ook wel ‘landjacht’ genoemd, over het strand van Scheveningen naar Petten. Het door Simon Stevin ontworpen voertuig werd uitsluitend door de wind aangedreven en voerde het prinselijke vaandel in top. Tot de voorname passagiers behoorden onder anderen de negentienjarige Hugo de Groot, de Franse ambassadeur Paul Choart de Buzanval, Francesco de Mendoza, de bij Nieuwpoort gevangengenomen Spaanse bevelhebber, Ulrik van Holstein, broer van de Deense koning Christiaan IV, en Maurits’ halfbroer Frederik Hendrik.
De Latijnse tekst die Blaeu op de achterzijde van de prent afdrukte, noemt de zeilwagen een technisch wonder. Wie naar de wielen, dissel en overige uitrusting keek, zag een wagen; wie de zeilen, de stuurman en de wind zag, een schip. Het voertuig legde volgens Blaeu de veertien Hollandse mijlen van Scheveningen naar Petten in slechts twee uur af. De wagen reed over het aaneengesloten vlakke strand langs de Noordzee, waar geen havenmonden of andere obstakels de route onderbraken.
Een van de passagiers, Hugo de Groot, vereeuwigde de tocht in een gedicht dat Blaeu eveneens op de achterzijde opnam. De Groot beschrijft hoe Scheveningen vrijwel onmiddellijk uit het zicht verdween zodra de wind de zeilen vulde. De wagen liet nauwelijks wielsporen in het zand achter, haalde schepen en zeevogels in en joeg zand, zeeschuim en schelpen in het gezicht van de inzittenden. Langs Katwijk en de verdwenen monding van de Rijn, Noordwijk, Zandvoort en Egmond ging het noordwaarts, totdat bij Petten de Hondsbossche zeewering de doorgaande route over het strand versperde.
De Groot vraagt zich af, was hier een mast op een wagen geplaatst, of waren er wielen onder een schip gezet? Een schip werd niet alleen door de wind voortgedreven, maar tegelijk door het water afgeremd; de zeilwagen kende die weerstand niet. Schepen varen, maar de wagen vliegt!
Die snelheid vormt ook een belangrijk element in de voorstelling. Rechts galopperen twee ruiters over het strand. Zij functioneren als visuele maatstaf voor de uitzonderlijke snelheid van de zeilwagen. Links rijdt een kleiner exemplaar, vermoedelijk het prototype waarmee Stevin zijn ontwerp eerst beproefde.
De zeilwagen is een demonstratie van Hollands technisch vernuft en maritiem zelfbewustzijn. Schepen hadden vanuit Amsterdam de verre zeeën inmiddels bereikt, nu bleef voor de Nederlanders alleen nog het land nog over: ook dat werd voortaan bezeild.
Voor zijn voorstelling gebruikte Blaeu de monumentale prent die in 1603 door Willem Isaacsz. van Swanenburg werd gegraveerd naar een ontwerp van Jacques de Gheyn II. Blaeus prent is daarvan een verkleinde en spiegelbeeldige kopie.
Prijs: Euro 1.750,-






