Paramaribo – Gualtherus Mabé (toegeschr.), ca. 1816–1821

4.950

GROOTS GEZICHT OP PARAMARIBO MET FORT ZEELANDIA

Pen met gewassen inkt en waterverf op papier, toegeschreven aan Gualtherus Mabé, ca, 1816-1821. Afm. 46 × 96,5 cm.

Na de verovering door een Zeeuwse vloot onder leiding van Abraham Crijnssen in 1667 kwam Suriname als kolonie in Nederlandse handen. Het bestaande Engelse fort aan de Surinamerivier werd omgedoopt tot Fort Zeelandia. Rond dit fort ontwikkelde zich geleidelijk Paramaribo, dat dankzij zijn gunstige ligging aan de rivier uitgroeide tot het bestuurlijke en commerciële centrum.

Vanaf 1683 werd Suriname bestuurd door de Sociëteit van Suriname, een samenwerkingsverband van de West-Indische Compagnie, de stad Amsterdam en de familie Van Aerssen van Sommelsdijck. In deze periode ontstond het plantagesysteem dat de economie van de kolonie zou bepalen. Langs de Suriname-, Commewijne- en Cotticarivier verrezen suiker-, koffie-, cacao- en katoenplantages, volledig afhankelijk van de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. De rijkdom van de kolonie was direct verbonden met de trans-Atlantische slavenhandel en de export van plantageproducten naar Europa. Tegelijkertijd bleef Suriname een kwetsbare en moeilijk te beheersen kolonie, geteisterd door tropische ziekten, militaire spanningen en verzet van gevluchte slaafgemaakten, de latere Marrons.

In de achttiende eeuw groeide Paramaribo uit tot een welvarende koloniale havenstad met pakhuizen, koopmanshuizen, militaire gebouwen en aanlegplaatsen langs de Waterkant. Het stadsbeeld werd echter grotendeels bepaald door houten bebouwing, waardoor brand een voortdurend gevaar vormde. Aan het einde van de eeuw raakte Suriname betrokken bij de geopolitieke spanningen van de Napoleontische tijd. Omdat Nederland onder Franse invloed stond, bezetten de Britten de kolonie eerst kortstondig in 1799 en vervolgens opnieuw in 1804. Deze Engelse bezetting duurde tot 1816. Hoewel het koloniale bestuur veranderde, bleef de plantage-economie functioneren en bleef Paramaribo een belangrijke handelsplaats in het Caribisch gebied. Wel begon juist in deze jaren de internationale kritiek op de slavenhandel toe te nemen; Groot-Brittannië schafte de trans-Atlantische slavenhandel in 1807 officieel af.

Na de val van Napoleon kreeg Nederland Suriname in 1816 terug. Nieuwe bestuurders, ambtenaren en militairen arriveerden om het Nederlandse gezag te herstellen. Vermoedelijk moet ook artillerie officier Gualtherus Mabé (1793–1838) in deze context worden geplaatst. De aan hem toegeschreven tekening toont Paramaribo in deze overgangsperiode: nog duidelijk het karakter van een achttiende-eeuwse koloniale nederzetting, maar reeds met de vroege negentiende-eeuwse Empire-mode zichtbaar op het Gouvernementsplein (de grasvlakte op de voorgrond). Rechts is Fort Zeelandia met vlaggenmast herkenbaar, terwijl links langs de Waterkant een groot aantal zeeschepen voor anker ligt — een herinnering aan de centrale rol van de haven in de koloniale economie.

De voorstelling lijkt te dateren van kort na het vertrek van de Engelsen en vóór de grote brand van januari 1821, waarbij grote delen van het oude Paramaribo verloren gingen.

Prijs: Euro 4.950,-
GERESERVEERD