Groningen – Johannes Janssonius, 1657
€1.450
STAD GRONINGEN MEDIO 17E-EEUW
“Groeninga vulgo Groeningen“, vervaardigd in opdracht van Johannes Janssonius in 1657. Later met de hand gekleurd. Afm.: 41,5 x 51cm.
Janssonius verwierf 363 koperen platen van de Keulse uitgevers Georg Braun en Franz Hogenberg en besloot daarmee in 1657 zelf een stedenboek te maken. De koperen platen werden herzien, aangepast en deels geheel nieuw vervaardigd, hij gebruikte daarbij topografische voorbeelden van Matthäus Merian, Jodocus Hondius II en van zijn Amsterdamse concurrent Joan Blaeu. Het resultaat was een indrukwekkend boek in 8 delen met daarin ruim 500 afbeeldingen van steden van de wereld. De meeste platen werden niet gesigneerd.
Deze kaart van Groningen is gebaseerd op een kaart uit 1637 van Egbert Haubois, die de opdracht had gekregen de grote stadsuitleg van 1615-1624 in beeld te brengen.
De achterzijde geeft een breed humanistisch stadsportret:
Groningen ligt op een zandrug of verhoging tussen lage, vochtige gronden, waar rivieren de Hunze en de Aa vanuit Drenthe naar de stad stromen. De stad zou aanvankelijk smaller zijn geweest en vooral op deze hogere rug hebben gelegen, maar later naar de lagere gronden aan weerszijden zijn uitgebreid. De ligging wordt geprezen als bijzonder gunstig: de stad is goed bereikbaar over land én water en ligt in een vruchtbaar gebied van akkers en weiden.
Veel aandacht gaat uit naar de waterlopen en verdedigingswerken. De Aa wordt beschreven als een bevaarbare waterloop die via gewelven onder de wallen de stad binnenkomt, langs de westzijde loopt en zich vervolgens met de Hunze verenigt. De Hunze bereikt de stad aan de oostzijde, loopt langs de wallen en sluit een belangrijke voorstad van de stad af. De auteur beschrijft de grachten, wallen en bastions met nadruk op hun omvang en kwaliteit. Vooral na uitbreidingen in het begin van de zeventiende eeuw, onder meer in 1615, werd de stad aanzienlijk vergroot. De nieuwe uitleg was bijna even groot als de oude stad. Volgens de tekst werd Groningen uiteindelijk omgeven door zeventien bolwerken, waardoor zij tot de best versterkte steden werd gerekend. Ook wordt vermeld dat de Spanjaarden hier ooit een vijfhoekige dwangburcht hadden aangelegd (de “Arx Nova”), die na de Pacificatie van Gent (1576) door de burgers werd afgebroken. (Het latere “Statenkasteel” dat bestond van 1600 tot 1607, blijft overigens onvermeld. Vermoedelijk omdat deze door de Staten-Generaal gebouwde dwangburcht minder goed paste in het beeld van Groningen als vrije, geprivilegieerde en zelfbewuste stad.)
Groningen telt volgens de auteur twaalf kerken: drie parochiekerken, vijf kloosterkerken en vier kerken verbonden aan gasthuizen. De belangrijkste is de Martinikerk, met het fraaie orgel dat aan de geleerde Rudolf Agricola wordt toegeschreven. Daarnaast worden genoemd de Sint-Walburgkerk (die al werd afgebroken in 1627), een Akerk met hoge toren, het Franciscaner klooster (afgebroken in 1894), het Jacobijner klooster, het “Clarissenklooster” (dat niet lijkt te hebben bestaan) en het Vrouwe Sywen Convent (een huis voor adellijke ongehuwde vrouwen) . Sommige voormalige kloostergebouwen hadden inmiddels een nieuwe functie gekregen: zo werd het Franciscaner klooster gebruikt als openbare Latijnse school en een ander klooster als woning van de provinciale gouverneur (het huidige Prinsenhof).
De stedelijke ruimte wordt beschreven aan de hand van de markten, straten en poorten. De stad heeft twee belangrijke pleinen: de brede markt, beginnend bij de Martinikerk en zich westwaarts uitstrekkend, en een tweede markt die als vismarkt wordt aangeduid. Vanuit deze pleinen lopen talrijke grote straten naar de stadspoorten. Ook het Schuitendiep, eerder nog als afzonderlijke voorstad met eigen aarden wal en gracht omgeven, is inmiddels met de stad verbonden.
In bestuurlijk-juridisch opzicht is Groningen een stad met een hoge mate van zelfbestuur. Zij leeft als een vrije republiek, dankzij ruime privileges en immuniteiten die door haar vorsten zijn verleend en bevestigd. De stad spreekt recht in burgerlijke én halszaken volgens haar eigen wetten en gebruiken, zonder verdere beroepsmogelijkheid. Zelfs in kapitale zaken bezit zij een uitzonderlijke vrijheid, inclusief het recht om gratiebrieven of kwijtscheldingen te verlenen. Daarnaast wordt vermeld dat Groningen tot het Hanzeverbond behoorde en bijzondere privileges bezat waardoor burgers of ingezetenen niet zomaar voor een buitenlands of extern gerecht konden worden gedaagd. Ook het muntrecht wordt genoemd: de stad zou al eeuwen het recht hebben gehad zilveren en koperen munt te slaan, en vanaf 1484 ook gouden munt.
Een belangrijk deel is gewijd aan de Academie van Groningen, gesticht door de Staten van de Provincie in 1614 en plechtig geopend op 23 augustus. Die datum bleef verbonden met de inauguratie van de rector. De universiteit werd gefinancierd uit voormalige kloosterinkomsten en kreeg een locatie bij het Franciscaner klooster, rustig gelegen en afgezonderd van het rumoer van de stad. Voor minder vermogende studenten was er een gemeenschappelijke tafel voor veertig personen; zij betaalden slechts een deel van de kosten, terwijl de overheid de rest bijdroeg.
De tekst eindigt met beroemde Groningers: de al eerder genoemde Rudolf Agricola, door Erasmus hoog geprezen; Wessel Gansfort, een vooraanstaand filosoof en tijdgenoot van Agricola; en Regnerus Praedinius, schrijver van geleerde werken. Daarmee sluit de tekst af met het beeld van Groningen als niet alleen een sterke en welvarende vestingstad, maar ook als een stad van geleerdheid, privileges en stedelijke trots.
Prijs: Euro 1.450,-






