Amsterdam – Johannes Janssonius, 1657

BEROEMDE PLATTEGROND VAN AMSTERDAM

Amstelodami Celeberrimi Hollandiae Emporii Delineatio Nova.” [Nieuwe tekening van het beroemde Amsterdam in Holland]. Kopergravure van Amsterdam uitgegeven door Johannes Janssonius in 1657, prachtig in de tijd met de hand gekleurd. Verso: Latijnse tekst. Afm. 42,5 x 54,5 cm.

Deze uitgave van de plattegrond van Amsterdam van Johannes Janssonius werd vervaardigd voor diens beroemde stedenboekUrbium Totius Belgii Seu Germaniae Inferioris”. De Amstel is in die tijd nog een kronkelende rivier die door het hart van de stad loopt en alleen door de aandelenbeurs van Hendrick de Keyser en de vismarkt aan de Dam wordt overdekt.

Het was geen origineel werk, Janssonius had zijn kaartbeeld ontleend aan een plattegrond van Henricus Hondius die ook al door Joan Blaeu op de markt was gebracht en deze geactualiseerd tot 1657 (zo staat het nieuwe stadhuis op de kaart van Janssonius en is ’s Lands Zeemagazijn gereed). Links en rechts bevinden zich smalle lijsten met namen van gebouwen, sluizen, markten, poorten, enzovoorts, waarvan de nummers verwijzen naar de kaart.

Om de stad ligt nog de middeleeuwse stadswal, maar die zou met de geplande Vierde Uitleg aan de zuid- en oostkant van de stad worden verlegd. In de halfgroene buitenwijken aan de rand van de stad is het verloop van een nieuwe stadswal rond de geplande uitleg al ongeveer aangeduid. Rond 1650 zou echter de Amsterdamse vroedschap kiezen voor een veel ruimer verloop en was de kaart toen hij op de markt kwam feitelijk al verouderd.

Janssonius beschrijft zijn Amsterdam in 1657 als volgt:

“De stad Amsterdam, het beroemdste handelscentrum van geheel Europa, ligt in Amstelland en was vroeger het bezit van een aparte dynastie van heren van Amstel, van hoge adel. Die dynastie werd in het jaar 1345 van de christelijke jaartelling bij Holland gevoegd.

De bodem is er laaggelegen, zacht en moerassig, en wordt bevloeid door vele rivieren en stromen, waarvan de belangrijkste de Amstel is. Deze stroomt door de stad en mondt uit in een grotere rivier, het IJ genaamd. Deze wordt tegengehouden door een dam met een sluisconstructie, die het water en de scheepvaart toelaat of tegenhoudt. Deze dam heeft de stad haar naam gegeven. Want “Amstelodamum” betekent niets anders dan “Dam in de rivier de Amstel”.

De eerste stichters van deze stad waren arme vissers, die vanwege de rijkdom aan vis in zowel de Amstel als het IJ daar hun hutten bouwden, de ene na de andere, op de dam of eromheen, die men nu nog bij naam noemt. Dankzij goddelijke zegen, de toename van hun vangst, en met de steun van de plaatselijke heer Gijsbrecht, die over het gebied aan de Amstel regeerde als graaf, breidden ze deze nederzetting uit met gebouwen, muren, torens en poorten, totdat het een echte vestingstad werd.

In het jaar 1275 gaf Floris V, graaf van Holland, deze burgers het recht om hun goederen en waren door geheel Holland te vervoeren [het zgn. Tolprivilege van Amsterdam], als compensatie voor de schade die zij hadden geleden.

In het jaar 1345 kwam deze stad onder de graven van Holland, via gravin Margaretha van Henegouwen, en later, in 1355, via haar zoon Willem V, die dit recht bevestigde en zo zorgde dat Amsterdam losgemaakt werd van het graafschap Amstelland en definitief bij Holland werd gevoegd.

In het jaar 1359 stelde Albrecht van Beieren, graaf van Holland, de grenzen van de stad vast op 100 roeden buiten de stadsmuren, zo ver als het IJ zich uitstrekt, en ook rondom de zogenaamde Volewijck-gracht. Verder schonk hij een stuk grond voor een kerk aan de westzijde, gewijd aan Sint-Jan de Doper en bisschop Nicolaas, patroon van de stad. Die kerk werd met grootse architectuur gebouwd, mede op kosten van de burgerij. Daar vlakbij werden ook andere kerken gebouwd, waaronder een fraaie toren met een klok, die tot op heden een herkenbaar punt in de stad is.

De stad bezit ook een beroemde kapel van de Heilige Maagd Maria [de Heilige Stede], bekend van het miraculeuze Sacrament van het Mirakel, waar pelgrims uit binnen- en buitenland naartoe trekken. Verder zijn er andere kerken, verdeeld over de stad, waarvan de oostelijke [de Oude Kerk] gewijd is aan de heilige Nicolaas, en de westelijke (ook wel de Nieuwe Kerk genoemd) pas recentelijk is ingewijd, nadat ze lange tijd door de verwaarlozing van de voorgangers geen naam had gekregen.

De stad werd rond het jaar 1482 omringd met een stenen muur, en kreeg verschillende stadspoorten. Aan de westkant stonden onder andere de Sint-Antoniespoort, een prachtig en stevig gebouw, en ook de Nieuwendijkspoort. Deze zijn inmiddels vervangen door nieuwe, prachtigere poorten, beter geschikt voor het groeiende aantal inwoners en de grotere welvaart.

De stad heeft tegenwoordig vier hoofdpoorten, namelijk: de Regulierspoort, de Haarlemse Poort, de Sint-Antoniespoort en de Heiligewegspoort. Daarnaast zijn er kleinere poorten die in de volkstaal worden aangeduid als de Ransdorp- en de Sasse- of Molenpoort. Bij de eerste ziet men in de zomer vaak tenten van kooplieden en op de wallen opgespannen linnen doeken.

De Sint-Antoniespoort werd gebouwd op een stenen dam (die men in de volksmond de Bierkaai noemt) en dateert uit 1358. Deze poort werd later in 1536 herbouwd in steen met een prachtig en indrukwekkend uiterlijk, en naast de Heiligewegpoort is ze de meest solide en opvallende constructie van de stad. Bij de bouw werd ook een naastgelegen woning opgenomen, die nu tot een van de aantrekkelijkste huizen van de stad behoort.

Naast de stad zelf liggen kloosters van verschillende religieuze ordes en bedelorden, waarvan sommige ooit buiten de muren lagen maar nu door de uitbreiding van de stad binnen de bebouwing zijn opgenomen. Enkele kloosters zijn verdwenen of verplaatst, andere zijn omgevormd tot openbare gebouwen. Hier volgen er een paar:

  • Het klooster van de Begijnen, oorspronkelijk gewijd aan Sint-Ursula, werd door Engelse vrouwen bewoond (zoals men zegt) in het zogeheten Engelse Begijnhof. De broeders van het klooster van Paulus werden later de Fraters van het Pauwenklooster genoemd, een naam die bij de burgers in herinnering bleef, vooral vanwege hun inzet voor ziekenzorg.
  • Het klooster van Sint-Agnes, gesticht in 1390, bevatte een school en een bibliotheek, die later overging in de Kamer van het Nieuwe Kerkgebouw en tegenwoordig dienstdoet als zittingszaal van de kerkelijke raad of de Consistorie.
  • Het klooster van Sint-Gertruiden, opgericht rond 1401, werd oorspronkelijk het Huis der Oude Nonnen genoemd. Het werd later verplaatst naar het Vetklooster, dat ook wel het Nieuwe Nonnenklooster of het Xenodochium werd genoemd, en uiteindelijk bekend werd als het ziekenhuis van de stad, waar arme en zieke mensen werden opgenomen — het zogenaamde Buitengasthuis, waar men naar draagkracht iets betaalde.
  • Ook het Lazarusklooster was lange tijd een bekend gasthuis. Verder was er een huis voor melaatsen, waar armen en bedelaars werden opgevangen, evenals een huis voor weduwen (het weduwenhuis), gelegen aan de westkant van de stad.
  • Het klooster van Margaretha, gelegen aan het plein dat genoemd is naar Sint-Pieter, werd uiteindelijk omgevormd tot een slachthuis, waarin zich op de bovenverdieping twee collegezalen bevonden: voor chirurgie en retorica. Daar worden nu anatomische lessen gegeven.
  • Het Sint-Lucienklooster werd omgevormd tot weeshuis, en in 1436 herbouwd. Daarachter liggen nog huizen die gescheiden en verdeeld zijn in appartementen voor arme meisjes, door de overheid ondersteund.
  • Van het klooster van Sint-Joris werd een deel afgestaan aan het garnizoen, het werd de zogenaamde Stapel genoemd, waar nu een wapenarsenaal en woningen voor burgers zijn gevestigd. Ook de broeders van Sint-Clara, ooit beroemd om hun liefdadigheid, richtten een gasthuis op dat later werd omgevormd tot Burgerweeshuis.

In de buurt van het Koopmansbeursgebouw staan nog andere bouwwerken, met meerdere verdiepingen, waaronder het huis van de muntmeester en het tolhuis.

De Beurs van Amsterdam, begonnen in 1611 en in 1617 voltooid, is een indrukwekkend gebouw dat menigeen tot verwondering brengt. Daar wordt dagelijks handel gedreven door kooplieden uit de hele wereld.

Het stadsbestuur wordt gevoerd door zeven personen: twee burgemeesters, vier schepenen en één thesaurier (schatmeester). Samen besturen zij de stad en de publieke middelen.

Er zijn drie hoofdgilden, waaronder dat van de zeevaarders, dat altijd in hoog aanzien stond. Daarnaast is er een soort Raad van Wijzen (de Vroedschap) die toezicht houdt op het dagelijks bestuur. Ze beslissen gezamenlijk over belastingen, veiligheid en rechtspraak.

De schepenbank doet uitspraak in civiele en strafzaken en wordt voorgezeten door de burgemeesters. Er zijn ook vertegenwoordigers van de Hoge Raad van Holland die toezicht houden op rechtspraak en bestuur.

Tot slot zijn er ook commissarissen die toezicht houden op de markt, op het muntwezen, op de zeden en het onderwijs. Elk van deze functies is nauwkeurig omschreven, en het gehele bestuur van Amsterdam volgt een unieke structuur, zoals die nergens anders voorkomt.”

Literatuur: Marc Hameleers “Kaarten van Amsterdam 1538-1865”, nr. 39

Prijs: VERKOCHT