Allegorie op de ondeelbaarheid van de Bataafse Republiek – Hendrik Roosing, 1795
“Ondeelbaarheid” kopergravure vervaardigd in 1795 door Hendrik Roosing naar ontwerp van August Christian Hauck naar tekening van Cornelis Bakker, uitgegeven te Rotterdam door Johannes Groenewoud Jansz. Later met de hand gekleurd. Afm. (plaatrand) 33,7 x 39 cm.
De voorstelling verbeeldt het revolutionaire ideaal van de ondeelbaarheid van de Bataafse Republiek, zoals dat na 1795 centraal stond in het politieke denken van de nieuwe staat. In het midden van de voorstelling staat een sokkel, waarop een geopend boek, een document met zegels en een zwaard zijn geplaatst. Samen verwijzen deze attributen naar wetgeving, staatsgezag en de verdediging van de republikeinse orde.
Aan weerszijden van de sokkel staan de personificaties van Vrijheid en Voorspoed. Vrijheid is herkenbaar aan de vrijheidshoed en de piek; Voorspoed draagt de hoorn des overvloeds. Gezamenlijk houden zij een lauwerkrans vast, waarin ook een palmtak en een olijftak zijn opgenomen: klassieke symbolen van overwinning, standvastigheid en vrede. Boven deze krans zweeft een hart, als beeld van de morele en politieke eenheid van de republiek.
Deze eenheid wordt bedreigd door negatieve krachten. Links verschijnt Bedrog, rechts Nijd, terwijl Laster van bovenaf toeslaat. Zij proberen de harmonie te verstoren, maar worden bestreden door drie gevleugelde putti, die de beschermende krachten van rede, waarheid en burgerdeugd vertegenwoordigen.
Op de voorgrond liggen de personificaties van de Amstel en het IJ, twee watergoden die het hart van de Republiek omspoelen en samen opnieuw een hart insluiten — een herhaling van het motief van ondeelbaarheid en verbondenheid. Links op de achtergrond staan Rechtvaardigheid en Standvastigheid, terwijl rechts een groep bewapende patriotten zichtbaar is, als concrete belichaming van het volk dat bereid is de nieuwe orde te verdedigen.
Hoog in de lucht sluit de voorstelling af met een verheven religieus symbool: de heilige drie-eenheid, weergegeven als een gelijkzijdige driehoek in een lichtkrans, met in het midden het Alziend Oog van God. Dit Verlichtingssymbool verleent aan de Bataafse staat een morele legitimatie en suggereert dat de republikeinse eenheid niet alleen politiek, maar ook moreel en universeel gefundeerd is.
Literatuur: Frederik Muller “Nederlandsche historieplaten” (1863-1882), nr. 5377-a2
Prijs: VERKOCHT


