Afrika – Willem + Joan Blaeu, ca. 1640
€2.950
BLAEU’S BEROEMDE KAART VAN AFRIKA
“Africae nova descriptio”, kopergravure uitgegeven te Amsterdam door Willem Jansz. en Joan Blaeu, ca. 1640. Later met de hand gekleurd. Verso: Duitse tekst. Afm.: 41 × 55,5 cm.
Dit is een van de meest herkenbare en decoratieve kaarten van het continent uit de 17de eeuw.
De contouren van het continent tonen de invloed van de Portugese en Nederlandse ontdekkingsreizen rond Afrika naar Azië. Toen Blaeu deze kaart maakte, hadden de Nederlanders zich nog niet aan de Kaap gevestigd; de namen rond Kaap de Goede Hoop verwijzen daarom nog vooral naar de maritieme functie van deze plek als anker- en verversingsplaats voor schepen op de route naar de Oost.
Langs de bovenzijde van de kaart zijn de belangrijkste Afrikaanse steden weergegeven: Tanger, Ceuta, Algiers, Tunis, Alexandrië, Caïro, het eiland Mozambique, Fort Sint George aan de Goudkust en Canaria op de Canarische Eilanden. De linker- en rechterrand tonen uiteenlopende inheemse kledij: Marokkanen, Senegalezen, handelaren uit Guinee, Congolezen, Egyptenaren, Abessijnen, Mozambikanen, de koning van Madagaskar en bewoners van de Kaap de Goede Hoop.
Deze figuren zijn niet bedoeld als neutrale etnografische documentatie, maar als Europese voorstellingen van Afrikaanse volken en culturen. Ze weerspiegelen de fascinatie van de 17de-eeuwse atlaslezer voor kleding, uiterlijk, status en vermeende culturele verschillen.
De tekst achterop de kaart geeft een vroeg-17de-eeuws beeld van Afrika, waarin klassieke geografie, bijbelse en antieke overlevering, reisverhalen en vroegmoderne cartografie door elkaar lopen.
Het continent wordt voorgesteld als een groot schiereiland, aan bijna alle kanten door water omgeven: in het noorden door de Middellandse Zee, in het westen door de Atlantische Oceaan, in het oosten door de Rode Zee en de Arabische Zee, en in het zuiden door de grote oceaan. Slechts bij de landengte van Suez is Afrika met Azië verbonden. De tekst vergelijkt Afrika met Europa: het continent is groter, maar minder dicht bevolkt. Dat wordt verklaard uit de hitte, uitgestrekte woestijnen, de ontoegankelijkheid van grote delen van het binnenland en de aanwezigheid van giftige dieren.
Er wordt gesproken over de natuurlijke rijkdommen en wonderen van Afrika. De vruchtbaarheid van bepaalde streken, vooral in Mauretanië en Barbarije, wordt geprezen. Daar zouden akkers overvloedige oogsten geven en bomen, planten en vruchten uitzonderlijk goed groeien. Tegelijk wordt Afrika voorgesteld als een continent van contrasten: vruchtbare kuststreken en riviergebieden staan tegenover droge binnenlanden, ruige bergen en moeilijk doordringbare woestijnen. Genoemd worden onder meer olifanten, leeuwen, buffels, panters, neushoorns, apen, wilde ezels, struisvogels en talloze soorten slangen. De tekst sluit daarmee aan bij het traditionele Europese beeld van Afrika als een continent van overvloed, gevaar en exotische natuur.
Vervolgens wordt Afrika geografisch ingedeeld. Eerst komen de oude Romeinse en Ptolemaeïsche provincies aan bod, zoals Africa Proconsularis, Numidië, Mauretanië, Cyrenaica, Marmarica, Libië en Egypte. Daarna volgt de indeling van de Moorse ontdekkingsreiziger Leo Africanus, die Afrika in grotere zones verdeelt: Barbarije, het gebied van de woestijnen, het “Land der Zwarten” of Nigritië, Egypte, Abessinië en het binnenland. Daarbij worden tal van koninkrijken en gebieden genoemd, waaronder Marokko, Fez, Tunis, Barca, Tripoli, Biledulgerid, Gaoga, Oualata, Guinea, Mali, Timboektoe, Bornu, Nubië, Benin en vele andere.
Egypte krijgt een afzonderlijke plaats. Het wordt beschreven als een langgerekt land langs de Nijl, begrensd door de Middellandse Zee, Libië, Nubië en de Rode Zee. Ook de omliggende woestijnen, de Nijl en de verbinding met Azië worden genoemd. Abessinië wordt voorgesteld als het grote christelijke rijk van de legendarische priester Johannes. Het zou zich uitstrekken van de omgeving van Nubië en de Rode Zee tot diep in het binnenland en omvat volgens de tekst verschillende koninkrijken en landschappen.
Het zuidelijke en oostelijke deel van Afrika wordt beschreven als het deel dat de oude schrijvers nauwelijks kenden. De tekst noemt onder meer Zanzibar, Ajan, Adal, Mogadishu, Malindi, Mombasa, Kilwa, Mozambique, Mutapa (“Monomotapa”), Sofala, Angola en Congo. Hier komt ook de Europese ontdekkingsgeschiedenis ter sprake: pas nadat Vasco da Gama in 1497/1498 Kaap de Goede Hoop had gerond en de zeeweg naar India had geopend, werd dit deel van Afrika beter bekend bij Europeanen. De tekst benadrukt dat Afrika sindsdien niet langer alleen als een gesloten of halfbekend continent werd gezien, maar als onderdeel van de grote vaarroute naar Azië.
Een belangrijk geografisch thema is het rivierstelsel. De tekst noemt de Nijl, de Niger, Senegal, Gambia, Congo/Zaire, Zambezi/Cuama en de Limpopo. Deze rivieren worden gepresenteerd als de grote wateraders van Afrika, die uit meren, bergen en onbekende binnenlanden voortkomen en grote vruchtbaarheid geven.
Ook de bergen van Afrika krijgen ruime aandacht. De Atlas wordt als de beroemdste berg genoemd, zo hoog dat zijn toppen boven de wolken zouden uitsteken; daarom werd hij in de klassieke traditie wel de “zuil van de hemel” genoemd. De tekst beschrijft de berg als uitgestrekt, ontoegankelijk, koud op de hoogste toppen en rijk aan bossen en waterbronnen. Daarnaast worden de Montes Lunae, de Maanbergen, genoemd, die in de klassieke geografie verbonden waren met de bronnen van de Nijl. Verder komen zilverbergen in Angola en andere bergketens ter sprake.
Aan het einde behandelt de tekst de eilanden rond Afrika. In de Atlantische Oceaan worden onder meer Porto Santo, Madeira, de Canarische Eilanden en de Kaapverdische Eilanden genoemd. Madeira dankt volgens de tekst zijn naam aan de vele bomen die er groeiden. De Canarische Eilanden worden verbonden met de Fortunatae Insulae uit de oudheid. Ook de eilanden São Tomé en Príncipe in de Golf van Guinee worden genoemd. Ten slotte komt het grote eiland São Lourenço, tegenwoordig Madagaskar, aan bod.
De tekst sluit daardoor precies aan bij de kaart zelf: een mengeling van nieuwe Europese zeevaartkennis, antieke geleerdheid en de vroegmoderne fascinatie voor Afrika als rijk, gevaarlijk en nog maar gedeeltelijk bekend continent.
Willem Jansz. Blaeu (1571–1638) behoorde tot de belangrijkste kaartmakers van de 17de eeuw. Zijn positie in Amsterdam, zijn banden met de internationale boek- en kaartenhandel en zijn rol als kaartenmaker voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie gaven hem toegang tot recente geografische informatie. Tegelijk bleef zijn kaart van Afrika schatplichtig aan oudere bronnen.
Vanaf 1608 domineerde hij de markt voor wandkaarten en zeeatlassen, en in 1630 produceerde hij zijn atlas van de wereld. Deze atlassen werden voortgezet door zijn zoons Joan (ca. 1599–1673) en Cornelis (1610–1644) en culmineerden in de monumentale Atlas Maior van 1662 in elf delen, uitgegeven door Joan Blaeu.
Prijs: Euro 2.950,-






