Molukken, Specerijeilanden – Willem Blaeu, ca. 1645
€975
PASKAART VAN DE SPECERIJEILANDEN
“Moluccae insulae celeberrimae” [de zeer beroemde Molukse eilanden], kopergravure uitgegeven door Willem Blaeu te Amsterdam rond 1645. Later met de hand gekleurd. Afm.: 37,5 x 48,5 cm.
Deze fraaie paskaart van de noordelijke Molukken – de beroemde Specerijeilanden – is gebaseerd op de beschrijvingen van ontdekkingsreiziger Jan Huyghen van Linschoten. We zien de eilanden Ternate, Tidore, Moti (“Motir”), Mare (hier “Pottebackers Eyland”), Machian en Bachian. Deze eilanden waren eeuwenlang het exclusieve brongebied van kruidnagel, en waren daarmee van groot belang voor de wereldwijde specerijenhandel.
Langs de onderrand is de noordkust van het eiland Halmahera te zien, destijds aangeduid als “Gilolo”. De zee is gevuld met Europese en lokale zeilschepen, evenals met fantasierijke zeemonsters – gebruikelijk op 17e-eeuwse kaarten als verwijzing naar het onbekende. Rechtsonder prijkt een Moluks stel in vereuropeesde klederdracht.
Het gebied was al voor de aanwezigheid van de Europeanen, een actief gebied met veel handel en piraterij. Op de kaart zien we verschillende forten die gedurende de periode van Europese kolonisatie zijn gebouwd. De eerste Europeanen die zich in het gebied vestigden, waren de Portugezen. Zij bouwden in 1522–1523 Fort Kastela (op de kaart ‘Gammalame’) op Ternate, met toestemming van de lokale sultan. Het sultanaat van Ternate bestond toentertijd uit Ternate, Machian, Mare en Motir. De Portugeze aanwezigheid verliep moeizaam, er waren veel spanningen tussen de Portugezen en de inheemse bevolking. De samenwerking klapte echter volledig nadat de Portugezen Sultan Hairun in 1570 vermoordden. In 1575 werden de Portugezen dan ook onder leiding van Sultan Baabullah verdreven.
Het anti-Portugese sentiment op veel van de afgebeelde eilanden bood ruimte voor nieuwe kolonisten, en in de 17e eeuw werden de eilanden gekoloniseerd door de Spanjaarden en Nederlanders, die vaak met de lokale inwoners werkten om hun handelspositie te behouden. In 1607 vestigde de VOC zich op Ternate en bouwde Fort Malayo. De invloed van de compagnie groeide gestaag, hetgeen ook tot onvrede onder de lokale bevolking leidde. In 1679 probeerde Sultan Sibori Amsterdam vergeefs de zelfstandigheid en onafhankelijkheid van Ternate te herstellen. Het sultanaat werd na zijn nederlaag een vazalstaat van de VOC.
Ook op het sultanaat Tidore verstevigde de VOC haar greep. In 1657 ondersteunden de Nederlanders de machtsgreep van Sultan Saifuddin, die daarvoor in ruil het monopolie op de specerijenhandel aan de VOC overdroeg. Gedurende de 17e en 18e eeuw wist Nederland steeds verder haar machtspositie in de regio te verankeren, en ondanks dat veel eilanden een ‘eigen’ bestuur hadden en daarmee in de juridische zin geen Nederlandse kolonie waren, waren het veelal vazalstaten en werd de regio economisch, politiek en militair bijna volledig door de VOC gecontroleerd.
Uit de tekst aan de achterzijde van de kaart krijgen we een inkijkje over hoe de Nederlanders in het midden van de 17e-eeuw over het gebied en haar inwoners dachten. In de woorden van Willem Blaeu:
“Het klimaat is er warm, vochtig en ongezond: regenbuien vallen zonder waarschuwing vanuit een heldere hemel. Toch produceert het land veel aromatische stoffen: verschillende noten, mirte, mastiekhars, lijnzaad, sandelhout, gember, peper, en kruidnagel. Wat betreft hun voeding leven de bewoners sober, ze eten gierst, tarwe, vruchten en andere gewassen die het land oplevert, hoewel ze in hun luiheid weinig verbouwen. Maximaal groeit daar het kruidnagelbomenhout op Machian en Ternate. Deze bomen verspreiden zich langzaam, vooral op Tidore en Motir, waar het iets slechter groeit.
Deze bomen groeien in de hogere gedeelten van de eilanden, die bijna altijd met regen worden overgoten, tot ongeveer een halve mijl van de zee verwijderd. Ze hebben glanzende bladeren, gelijkend op die van de laurier, maar iets kleiner. Hun bloemen zijn wit en verspreiden een geur als die van lelies. Wanneer de bloemen zijn afgevallen, verschijnt het kruidnagelknopje, dat aanvankelijk groen is, daarna rood wordt en uiteindelijk zwart opdroogt. De vruchten zijn eetbaar, maar men eet ze zelden tenzij ze goed rijp zijn. De tijd van de oogst is verschillend; op sommige eilanden is dat wanneer de zon ondergaat in juni, juli, augustus en september, en dan waait de zuidoostelijke wind.
Er worden ook andere bomen gevonden die lijken op de kaneelboom van Ceylon, en die worden gebruikt als kaneel. De vruchten van de kruidnagelboom, als ze rijp zijn, worden in de zon gedroogd en daarna verwerkt of opgeslagen. De bast van sommige bomen wordt gebruikt als kaneel. Ook groeien daar andere specerijen zoals gember, kardemom, en nootmuskaat.
Ze hangen de religie van Mohammed aan. Van nature zijn ze tamelijk zachtaardig, zeer vriendelijk, en ze kunnen gemakkelijk voor zich gewonnen worden. Ze zijn niet koppig en leven binnen hun steden en samenlevingen rustig en vreedzaam. Met de bewoners van naburige eilanden echter, en met andere volkeren in de buurt, zijn ze vaak twistziek en oorlogszuchtig. Zij zelf geven zich niet gemakkelijk gewonnen, maar de andere eilandvolken onderwerpen zich aan hen. Onder de krijgslieden worden vooral de mensen van Ternate geprezen, die hun moed, krijgskunst en strijdlust overtreffen.
Voor de vlucht in oorlogstijd achten zij zwemmen en duiken het veiligst, zelfs tegen een gewapende vijand. Hun defensieve uitrusting bestaat uit een helm en een schild. De helm is gemaakt van gevlochten palmtwijgen, of uit boombast, met ijzeren of messing punten. De schilden zijn zeer licht, uit hout vervaardigd, vierkant of langwerpig, soms twee duimen dik en aan beide uiteinden zwaar. Zij worden met veel vaardigheid gedragen. Ze vechten doorgaans met lansen, die zij zeer vaardig hanteren, en met zwaarden die zij bij zich dragen. Hier wordt de strijd als volgt gevoerd: eerst proberen ze de vijand te beschieten met pijl en boog of speren; vervolgens naderen ze elkaar op kleine bootjes, die zij kora-kora’s noemen, en leveren zij man-tegen-man gevechten met zwaarden, waarin zij zeer behendig zijn. Ze kunnen zich snel voortbewegen, zelfs met een schild op de rug, en zijn bijzonder wendbaar. Van de infanterie wordt grote fysieke inspanning geëist, en slavernij wordt afgewezen; niemand wil zich als dienaar of slaaf onderwerpen.
Ze dragen slechts het hoogstnoodzakelijke en gebruiken vrijwel niets behalve een eenvoudige omslagdoek van boombast, waarmee ze hun schaamte bedekken. Ze zijn tevreden met wat weinig bezit en kennen nauwelijks rijkdom. Wat zij wél bezitten, geven de edelen aan hun volgelingen, en zij die rijkdom zoeken, verlaten het land en begeven zich naar andere gebieden om hun geluk te beproeven.
Rijkdom komt vooral voort uit de handel in kruidnagel, die ze verkopen aan andere volkeren. Ze hebben geen geld, maar ze kennen wel zilver, dat zij soms waarderen, al heeft het voor hen geen intrinsieke waarde. Goud kennen zij niet, behalve mogelijk via handel met Indiërs. De taal die zij spreken is hun eigen taal, en heeft geen verwantschap met de andere Indische talen. Hun schrift lijkt op het Arabisch. De vrouwen worden, zoals bij velen, gekocht en meegenomen als vrouwen of slavinnen. De bruidsschat wordt altijd betaald, en bij grote rijkdom betaalt men een hogere prijs.
Vreemdelingen worden niet toegelaten in de huizen, tenzij bij hoge uitzondering. Als iemand een gast wil ontvangen, gebeurt dat in het openbaar of op een speciaal daarvoor bestemde plaats. De huwelijksvoltrekking gaat vergezeld van publieke feesten, waarbij ouders en familieleden geschenken geven.”
Prijs: Euro 975,-




