Wereldkaart – Pieter van den Keere / Johannes Janssonius, (1608) 1630/1631

11.500

Nova Totius Terrarum Orbis Geographica ac Hydrographica Tabula” [Nieuwe geografische en hydrografische kaart van de gehele wereld.] Kopergravure vervaardigd door Pieter van den Keere (ook wel Petrus Kaerius), in 1608 en uitgegeven in de “Atlantis Maioris Appendix” door Johannes Janssonius 1630/1631. Later met de hand gekleurd. Afm.: 40 × 53 cm.

Deze wereldkaart geldt als een van de hoogtepunten van de Nederlandse cartografie uit de Gouden Eeuw. De kaart is duidelijk gebaseerd op de wereldkaart van Willem Jansz. Blaeu uit 1606, maar Van den Keere voegde meer toelichtende teksten toe, vooral over mogelijke ontdekkingen in het noordpoolgebied, het zuidpoolgebied en de omgeving van Australië.

De kaart bevat verschillende kenmerkende geografische hypotheses uit het begin van de 17de eeuw. Zo is de noordwestkust van Amerika sterk langgerekt weergegeven, wordt een enorm en nog grotendeels raadselachtig Zuidland (“Terra Australis”) verondersteld en ligt er slechts een smalle zee-engte tussen dit zuidelijke continent en Zuid-Amerika. Ook Nieuw-Guinea is nog onvolledig weergegeven en lijkt verbonden met het onbekende Zuidland.

Bij de grote cartouche met de titel “America” staan uitgebreide aantekeningen over de vraag of de legendarische Straat van Anian (bij het huidige Alaska) en de Straat Davis mogelijk samen een noordwestelijke doorvaart naar Azië vormden. Van de Keere schrijft: “Of dit waar is, is herhaaldelijk maar tevergeefs onderzocht, vanwege de ruwe en hevige wervelwinden, het angstaanjagende geraas van de zee en de geheel verschrikkelijke ijsbergen.”

De kaart verscheen oorspronkelijk in 1608. De Straat Le Maire, ten oosten van Vuurland, werd pas na de ontdekking door Jacob Le Maire en Willem Schouten in 1616 aan de koperplaat toegevoegd, vermoedelijk rond 1621. Daarna kwam de plaat in bezit van Johannes Janssonius, die de kaart slechts in enkele vroege edities van zijn atlas gebruikte. (Later werd de plaat nog ingrijpend herwerkt en in de jaren 1680 opnieuw uitgegeven door Moses Pitt.)

De toelichtingen maken duidelijk hoe Pieter van den Keere naar de wereld keek: met bijzondere aandacht voor recente ontdekkingsreizen en voor gebieden aan de randen van de bekende wereld. Waar Blaeu delen leeg liet, vulde Van den Keere ze met aantekeningen uit andere bronnen. Daarbij gaat het onder meer om Spaanse en Portugese berichten over de Stille Oceaan, maar ook om meer gedetailleerde informatie over Engelse en Nederlandse expedities in het Arctische gebied.

Over Terra Australis staan, van links naar rechts, onder meer de volgende toelichtingen:

“Deze zuidelijke landmassa noemen sommigen het Magellaanse gebied, naar haar ontdekker.”

“Deze streken zouden aan ‘een zekere Spanjaard’ (mogelijk Jorge de Meneses) zijn verschenen, toen hij, van de vloot gescheiden geraakt, op deze zuidelijke oceaan rondzwierf.”

(Het legendarische) “Psittacorum Regio (Land der Papegaaien) wordt zo door de Portugezen genoemd vanwege de ongelooflijke grootte van die vogels daar.”

“Kaap van het Zuidland, gelegen op 450 mijl afstand van Kaap de Goede Hoop en 600 mijl van Kaap Sint-Augustinus (Brazilië).”

“Tussen de eilanden Madagascar en (het vermeende) ‘Los Romeros’ is er een zeer sterke eb en vloed van de zee, in oostelijke en westelijke richting.”

Ten oosten van Vuurland staat bij een bootje de tekst: “Een vaartuig van huiden, zoals de bewoners van de Straat Magellaan gebruiken.” Deze voorstelling is ontleend aan de kaart van Amerika van Jodocus Hondius uit 1606.

Ten noorden van het bekende Amerika bleef het gebied volgens Van den Keere geheel onbekend. Men wist niet of daar land of zee lag. Wel vermoedden velen dat Amerika aan de noordzijde door een zee werd omgeven, een gedachte die aansloot bij de zoektocht naar een noordwestelijke doorvaart.

Over Nova Zembla wordt vermeld dat het in 1594 en 1595 met succes werd verkend in naam van de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden, op zoek naar een toegang tot China. Het resultaat had echter nog niet aan de verwachtingen voldaan.

Bij Noord-Azië merkt Van den Keere op dat dit gebied uiterst onzeker was. Toch had hij het, in navolging van anderen, op de kaart geplaatst, zodat minder ervaren kaartlezers niet zouden denken dat hier iets ontbrak, totdat betrouwbaardere kennis beschikbaar zou komen.

In het westen van Noord-Amerika staat nog een etnografische aantekening: “De inheemse bewoners van deze streken wonen, naar de gewoonte van de Tartaren, groepsgewijs in tenten; steden hebben zij niet.”

De kaart is rijk versierd. Van den Keere nam ook zijn persoonlijke signatuur op: een klok met in het midden een doodshoofd, omgeven door vlammen.

De randen rondom de kaart zijn gevuld met allegorische voorstellingen. Bovenaan bevinden zich vignetten van het toen bekende zonnestelsel: Luna (de maan), Mercurius, Venus, Sol (de zon, Mars, Jupiter en Saturnus.

Links staan de vier aardse elementen: Ignis (vuur), Aer (lucht), Aqua (water) en Terra (aarde).

Rechts zijn de vier jaargetijden afgebeeld: Ver (lente), Aestas (zomer), Autumnus (herfst) en
Hyems (winter).

Onderaan de zeven wereldwonderen van de oudheid: de hangende tuinen van Babylon, de Kolossus van Rhodos, de piramiden van Gizeh, het Mausoleum van Halicarnassus, de tempel van Diana te Efeze, het beeld van Zeus te Olympia en de vuurtoren van Alexandrië.

Literatuur:

  • Rodney Shirley, The Mapping of the World, nr. 264;
  • Günter Schilder, Monumenta Cartographica Neerlandica, VIII, Keere Appendix 13.1, pp. 517–518.

Prijs: Euro 11.500,- (incl. lijst)