India, Maleisisch schiereiland – Laurent Frisius naar Claudius Ptolomeus, 1535
€950
INDIA EN HET MALEISISCH SCHIEREILAND
“Tabula XI. Asiae – hae sunt e cognitis totius orbis. Provinciis seu Praefecturis quas undecima Asiae tabula complectitur. India extra Gangem. Synarum regio.” [De elfde kaart van Azië – Dit zijn de gewesten of prefecturen van de bekende wereld die de elfde kaart van Azië omvat. India voorbij de Ganges. Het land van de Chinezen.] Houtsnede uitgegeven door Laurent Frisius in 1535 naar het ontwerp van Claudius Ptolomeus. Afm. 28,3 x 40,2 cm.
De kaart toont “India voorbij de Ganges” en vooraan het Maleisisch schiereiland “Aurea Chersone” [het Gouden Schiereiland]. De landmassa (China) die langs de rechterzijde van de kaart naar het zuiden doorloopt, weerspiegelt de Ptolemeïsche opvatting dat de Indische Oceaan een door land omsloten zee was.
Helemaal rechtsonder ligt de grote legendarische zeehaven “Catigara”, mogelijk overeenkomend met Kanton, dat in de klassieke geografie gold als een van de uiterste punten van de bewoonde wereld.
Aan de achterzijde van de kaart worden de gebruiken en maatschappelijke ordening van de inwoners van India uitvoerig beschreven.
Het hofleven van de koning wordt voorgesteld als streng gereguleerd en omgeven door voortdurende waakzaamheid. Uit angst voor samenzweringen wisselt hij ’s nachts geregeld van verblijfplaats en brengt hij zijn dagen door met rechtspraak, rituele verplichtingen en jachtpartijen. Deze jacht heeft een uitgesproken ceremonieel karakter, waarbij de vorst wordt begeleid door grote groepen vrouwen, terwijl zijn lijfwachten op afstand blijven. De toegang tot deze kring is strikt gereguleerd; wie zich onbevoegd toegang verschaft tot de vrouwen rond de vorst, wordt met de dood bestraft. Opmerkelijk is dat vrouwen niet slechts een passieve rol spelen, maar ook gewapend optreden en deelnemen aan de jacht en zelfs aan militaire activiteiten—een gebruik dat nadrukkelijk als afwijkend van de Europese praktijk wordt gepresenteerd.
Ook religieuze gebruiken komen aan bod. De Indiërs zouden natuurgoden vereren, waaronder een regengod die met Jupiter wordt vereenzelvigd, de rivier de Ganges en lokale beschermgeesten. Koninklijke rituelen, zoals het wassen van het haar van de vorst, gaan gepaard met plechtige vieringen en het aanbieden van kostbare geschenken, waarbij onderdanen hun rijkdom demonstratief tonen.
Een belangrijk deel van de tekst is gewijd aan de indeling van de samenleving in zeven standen. De hoogste rang wordt ingenomen door filosofen of priesters, een kleine maar invloedrijke groep die zich bezighoudt met rituelen, dodenzorg en voorspellingen. Zij genieten aanzien en privileges, maar worden geacht betrouwbare uitspraken te doen over onder meer weersomstandigheden en ziekten; bij onjuiste voorspellingen worden zij gestraft door levenslange zwijgplicht. De grootste groep wordt gevormd door landbouwers, die vrijgesteld zijn van militaire dienst en zelfs in oorlogstijd worden ontzien, omdat hun werk als essentieel wordt beschouwd voor de voedselvoorziening. Daarnaast zijn er herders en jagers, die een nomadisch bestaan leiden en door het bestrijden van schadelijke dieren de landbouw ondersteunen. Ambachtslieden vervaardigen wapens en werktuigen en worden door de staat onderhouden. Soldaten vormen een grote, professioneel georganiseerde groep die zich volledig aan de oorlogvoering wijdt en eveneens door de staat wordt voorzien van levensonderhoud. Toezichthouders (Eforen) rapporteren over de gang van zaken in het land aan de koning, terwijl een kleine groep raadslieden het bestuur ondersteunt en zich onderscheidt door adel en wijsheid.
De houtsnede-versieringen aan rondom de beschrijving op de achterzijde, worden toegeschreven aan Albrecht Dürer.
Prijs: Euro 950,-




