Noord- en Zuid-Amerika – Willem Blaeu + Joan Blaeu, 1634
€3.500
BEROEMDE KAART VAN AMERIKA DOOR WILLEM BLAEU
“Americae nova tabula.” Kopergravure vervaardigd door Willem Jansz. Blaeu, voor het eerst uitgegeven in 1617; dit exemplaar uit een Duitstalige uitgave van Joan Blaeu’s “Novus Atlas”, vermoedelijk 1634. Later met de hand gekleurd. Afm. ca. 40 x 55 cm.
Deze beroemde kaart van Noord- en Zuid-Amerika behoort tot de meest geliefde en invloedrijke kaarten uit de Gouden Eeuw van de Nederlandse cartografie. Zij geldt bovendien als een fraai voorbeeld van het type ‘carte-à-figures’, met randversieringen van steden en inheemse bewoners. De kaart vat daarmee niet alleen de geografische kennis van haar tijd samen, maar ook het Europese beeld van de Nieuwe Wereld in de vroege zeventiende eeuw.
Langs de bovenzijde zijn negen belangrijke steden en havens van Amerika afgebeeld: Havana, Santo Domingo, Cartagena, Mexico-Stad, Cusco, Potosí, La Mocha in Chili, Rio de Janeiro en Olinda in Nederlands-Brazilië. In de zijranden zien we bewoners van verschillende delen van het continent, waaronder Groenlanders, bewoners van Virginia, de koning en koningin van Florida, de koning van Nova Albion, Mexicanen, Peruanen, Brazilianen (kannibalen!) en Braziliaanse krijgers, eilandbewoners van La Mocha (Chili) en bewoners van Magellanica (Vuurland). Verder is de kaart versierd met zeilschepen en zeemonsters, terwijl in Zuid-Amerika scènes uit het leven van Indianen zijn weergegeven.
Cartografisch vormt de kaart een interessant moment in de ontwikkeling van de kennis van Amerika. Blaeu toont geheel Noord- en Zuid-Amerika op één kaartblad — iets wat binnen zijn atlasproductie verder alleen op zijn wereldkaart voorkomt. Daardoor bleef de koperplaat gedurende tientallen jaren in gebruik. De kaart vertoont een nog vroeg-zeventiende-eeuws beeld van het continent: de Grote Meren ontbreken, de Mississippi is nog niet weergegeven en grote delen van het binnenland blijven speculatief ingevuld. Wel bevat de kaart reeds nieuwe geografische inzichten die voortkwamen uit de reis van Jacob Le Maire en Willem Schouten (1615–1617). Vuurland wordt als eiland weergegeven, gescheiden van het nog onbekende “Terra Australis Incognita.”
Opvallend is dat Californië nog als onderdeel van het vasteland wordt afgebeeld. Terwijl vanaf de jaren 1620 op veel kaarten de mythe van ‘Californië als eiland’ verscheen, heeft Blaeu zijn kaart nooit aan die populaire maar onjuiste theorie aangepast. De westkust behoudt daardoor een relatief klassieke en terughoudende vorm. Langs de oostkust combineert Blaeu Spaanse, Franse, Engelse en Nederlandse geografische bronnen: namen uit de expedities van Giovanni da Verrazzano, Henry Hudson, John Davis en Martin Frobisher verschijnen naast vroeg-Franse plaatsnamen langs de Saint Lawrence-rivier en Engelse namen uit Virginia.
Zoals op veel kaarten uit deze periode lopen feit en mythe door elkaar. In Noord-Amerika verschijnt het legendarische Norumbega, een vermeende rijke stad in New England, terwijl in Zuid-Amerika het mythische El Dorado (“Manoa al Dorada”) aan een groot imaginair meer is geplaatst. Zulke geografische fantasieën weerspiegelden de voortdurende hoop op verborgen rijkdommen in het onbekende binnenland van Amerika.
Aan de achterzijde van de kaart…
staat een uitgebreide Duitstalige geografische en etnografische beschrijving van Amerika zoals men die zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw in Europa voorstelde. De tekst combineert feitelijke kennis uit ontdekkingsreizen met klassieke geleerdheid, missionarisverslagen, koloniale propaganda en soms nog duidelijk legendarische elementen. Daarmee biedt zij een bijzonder inzicht in het vroegmoderne Europese wereldbeeld.
Amerika wordt geïntroduceerd als het “vierde deel van de wereld”, onbekend aan de Oudheid en pas aan het einde van de vijftiende eeuw ontdekt door Christoffel Columbus. Volgens de auteur was Columbus degene die het continent als eerste bereikte in 1492, in dienst van de koning van Castilië. Sommige geleerden zouden het gebied daarom “India” noemen, terwijl anderen spreken van de “Nieuwe Wereld”, omdat het continent qua omvang bijna gelijk zou zijn aan Europa, Azië en Afrika samen. De tekst legt vervolgens uit dat het werelddeel zijn naam ontleent aan Amerigo Vespucci, die na Columbus grote delen van het zuidelijke continent verkende en beschreef. Oudere theorieën dat de Romeinen reeds kennis van Amerika zouden hebben gehad, of dat Seneca in zijn tragedies al op het bestaan ervan zou hebben gezinspeeld, worden nadrukkelijk verworpen.
De schrijver beschouwt Amerika als samengesteld uit twee grote landmassa’s: America Septentrionalis (Noord-Amerika) en America Meridionalis (Zuid-Amerika), verbonden door een smalle landengte. De zuidelijke grens wordt gevormd door de Straat van Magellaan en de Straat Le Maire. Grote delen van het noorden blijven volgens de auteur nog onbekend. Rondom het continent liggen de Atlantische Oceaan in het oosten en de Stille Oceaan in het westen; in het zuiden vermoedt men nog steeds de aanwezigheid van een Terra Australis Incognita.
Vervolgens behandelt de tekst de verschillende landen en gewesten van de Nieuwe Wereld. In Noord-Amerika noemt men onder andere Florida, Nicaragua, Yucatán, Nova Francia, Labrador en het half-legendarische Estotiland. In Zuid-Amerika worden Peru, Chili en Brazilië genoemd als de belangrijkste gebieden die reeds door christelijke mogendheden waren veroverd.
De tekst schenkt bijzondere aandacht aan Cusco en Mexico-Stad, die worden voorgesteld als de twee grote steden van Amerika. Cusco, hoofdstad van Peru, wordt beschreven als een machtige, rijke en uitstekend geplande stad, met rechte straten, stromend water en monumentale paleizen van marmer en natuursteen. De auteur beweert zelfs dat weinig steden in Europa zich met haar schoonheid kunnen meten. De stad zou voornamelijk door edelen en vorsten worden bewoond. Tenochtitlan wordt eveneens gepresenteerd als een beroemde en indrukwekkende hoofdstad van Nieuw-Spanje.
Een groot deel van de tekst behandelt de natuurlijke rijkdommen van Amerika. Maïs geldt als het belangrijkste voedselgewas en wordt uitvoerig beschreven: men zaait enkele korrels in kleine kuilen en oogst meerdere kolven per plant. Daarnaast bespreekt de auteur cassavebrood, vervaardigd uit een wortelgewas dat sterk aan maniok doet denken. Ook bataat en andere wortelgewassen komen aan bod. Verder noemt de tekst een grote overvloed aan suiker, katoen, vlas, exotische vruchten en kostbare metalen, vooral goud.
Opmerkelijk is dat de auteur expliciet vermeldt dat paarden, runderen, ezels en schapen oorspronkelijk onbekend waren in Amerika. Daarom zouden de inheemse bewoners hevig zijn geschrokken toen zij voor het eerst paarden zagen. Ook ratten en muizen zouden pas met Europese schepen zijn meegekomen en zich vervolgens massaal hebben verspreid.
Zoals veel vroegmoderne beschrijvingen bevat de tekst daarnaast talrijke wonderlijke dieren en natuurverschijnselen. Er wordt melding gemaakt van een dier met een buidel waarin het zijn jongen draagt — onmiskenbaar een buideldier, waarschijnlijk een opossum — en van een vreemd zwijnachtig dier met harde huid en gespleten hoeven. Verder noemt men manati’s (zeekoeien), die gedeeltelijk als zoogdieren worden beschreven omdat zij hun jongen zogen. Ook komen “leeuwen” (vermoedelijk worden poema’s bedoeld), “tijgerdieren” (vermoedelijk jaguars), wilde zwijnen en talloze exotische vogels ter sprake.
De auteur beschrijft eveneens indrukwekkende vulkanen, waarvan één voortdurend vuur en vlammen zou uitwerpen. Een anekdote vertelt hoe een Dominicaanse monnik probeerde te onderzoeken of zich werkelijk gesmolten goud in de vulkaan bevond, maar dat zijn ijzeren kettingen en ketels door de hitte smolten.
Tenslotte gaat de tekst uitvoerig in op de monumentale wegen en infrastructuur van het Incarijk. De grote wegen tussen Quito en Cusco worden geprezen als buitengewone bouwwerken, geplaveid met zware stenen en voorzien van muren, waterlopen en rusthuizen (“Tambi”). Volgens de schrijver behoren deze wegen tot de indrukwekkendste constructies van de wereld en zouden zelfs koningen met hun volledige gevolg in de herbergen kunnen verblijven.
De gehele tekst weerspiegelt de fascinatie waarmee zeventiende-eeuwse Europeanen naar Amerika keken: als een immens, rijk en deels nog onbekend werelddeel vol machtige steden, exotische volkeren, wonderlijke dieren, kostbare metalen en ongekende natuurlijke overvloed. Tegelijk toont de tekst hoe cartografie in Blaeu’s tijd niet alleen diende om geografische kennis vast te leggen, maar ook om een intellectueel en cultureel beeld van de wereld over te brengen.
Literatuur:
- Philip D. Burden (1996) “The Mapping of North America”, vol. I, kaart 189.
Prijs: Euro 3.500,-




